'Jet' van Capellen omstreeks 1960 bij de zuivelfabriek Concordia iaan de Churchillweg in Wageningen. Hij was melkboer in Elst. (Foto: familiearchief)
'Jet' van Capellen omstreeks 1960 bij de zuivelfabriek Concordia iaan de Churchillweg in Wageningen. Hij was melkboer in Elst. (Foto: familiearchief) (Foto: )

Hoe Elst aan zijn bijnaam kwam

Gertjan van Capellen

Elst - Elst, een fabrieksdorp aan de Nederrijn. Een dorp dat voor een belangrijk deel is ontstaan langs een eeuwenoude handelsweg tussen Arnhem en Utrecht. Een dorp waar onze legendarische televisiecoryfee Mies Bouman woonde. Waar op dit moment het ooit zo fiere hotel/restaurant van Stuyvenberg (voorheen Rustoord) op de hoek van de weg naar Veenendaal, ligt te verpieteren nadat de laatste uitbater van het Chinees restaurant Azië eind vorig jaar plotseling de deuren sloot. Elst is ook het dorp waar de auteur van dit verhaal is opgegroeid. Hij ging terug naar zijn roots. Gertjan van Capellen woont al zo'n veertig jaar in Veenendaal, is getrouwd met een 'echte' Veenendaalse en groeide op aan de Driftweg 14 in Elst. Later is daar een wit woonhuis van gemaakt. Zijn vader Gerrit van Capellen (in de volksmond 'Jet' genoemd) was eerst melkboer in het dorp en woonde waar nu een snackbar is. Later had hij een melkwijk in Wageningen.

Elst is natuurlijk ook het dorp van de landelijk bekende en nogal wereldvreemde Dirk van Noort die betwijfelde of er ooit mannen op de maan hadden gelopen. In het programma Showroom liet hij dat luid en duidelijk weten. Het staat nog op Youtube. In zijn huis langs de Rijn kon hij hartelust zijn gang gaan en was hij niemand tot last. In zijn latere jaren werd nog een boek over hem gemaakt door Jan Bosch, ook zo'n bekende Elstenaar.

Moord Goosje van Piggelen

En geïnteresseerden in crime weten nog over de moord op de 87-jarige alleenstaande landbouwer Goosje van Piggelen op Zwijnsbergen in 1967. Een moord die nooit is opgelost. Tot grote frustratie van de rijkspolitiemannen die daarover in 1986 in een reeks herinneringen nog hierover hun beklag deden. Belangrijk onderdeel van de dorpse samenleving was natuurlijk de melkboer. Vader Gerrit van Capellen ging ´s nachts melk ophalen bij de boeren, bracht het naar zuivelfabriek Concordia in Wageningen (in 1977 opgeheven, stond tegenover de Ambachtsschool en bij de hopfabriek aan de Churchillweg) en ventte de zuivel overdag uit. Hij was graag gezien onder de Elsterse bevolking. Toen dat te zwaar werd heeft hij zijn laatste werkjaren gesleten als medewerker bij de zand- en grindloswalplaats bij het Ingense veer. Hij nam de taken over van Huib Wildeman. Bij deze zuivelfabriek reden de melkboeren met een Goliath, een driewielig voertuig dat onderdeel was van het Duitse automerk Borgward. In 1961 verdween dit merk dat al overgenomen was door Hansa. Melkboer Van Capellen staat erbij op een foto die bij dit verhaal is afgedrukt.
Met hulp (en dank!) aan reeds gepubliceerde stukken van Nees van den Oosterkamp van de werkgroep Elst & Remmerden, onderdeel van de Historische Vereniging Oudheidkamer Rhenen en de redactie van Dorpskrant De Hank, stelde Gertjan van Capellen deels onderstaand verhaal samen. De uitgangspunten zijn: de tabaksteelt de de productie ervan in Veenendaal.

Tabaksdorp

De namen Elst en Veenendaal stonden gebroederlijk naast elkaar. Dat we over het mooiste dorp aan de Rijn Elst schrijven heeft alles te maken met de roots van schrijver dezes. We zijn er geboren, opgegroeid, zaten in de kleuterklas van juffrouw Uitenbroek en de lagere schoolklassen van onder andere meester Schut en Hulsebos. Hebben de straat er onveilig gemaakt, eerst met de bal en later met de bromfiets. Hebben er gewerkt, vrienden gemaakt en bij De Musketiers tegen een bal leren trappen. Alles bij elkaar 22 jaar er gewoond en geleefd; 45 jaar later begint het weer te leven. Los daarvan ging het dorp Elst ook de geschiedenis in waar het langst in de 19de eeuw tabak is geteeld. Het is daarom niet vreemd dat er in Elst straatnamen en gebouwen verwijzen naar de tabakscultuur. Overblijfselen van de tabaksteelt zijn de droogschuren, beter bekend als de tabaksschuren. Daar zijn er nog een paar van overgebleven. Ooit waren het er maar liefst zeventig. Ze stonden onder meer aan de Verbindingsweg, Engweg en de Sportweg. De relatief warme zuidhelling van de Heuvelrug bleek uitermate geschikt om tabak te verbouwen. Omstreeks 1615 begon men daarmee in de omgeving van Amersfoort. De teelt breidde zich verder uit en sinds 1640 kwam tabak als teeltgewas ook in Amerongen voor. Vanaf dat moment was de tabaksteelt in de streek tussen Amerongen en Rhenen tot in de eerste helft van de 20ste eeuw een belangrijke bron van inkomsten.

Huisnijverheid

Veel Elsterse tabak vond via handelaren zijn weg naar verre oorden. In de omgeving ontwikkelden zich kleine bedrijfjes die de bladeren verwerkten tot snuif-, pruim- en pijptabak. In Veenendaal groeiden deze tabakskerverijen uit tot grote sigarenfabrieken. In de jaren dertig werden de Panter en de tweede sigarenfabriek van de Ritmeester in de gebouwen van de failliete textielfabriek van Roessingh gevestigd. Beide waren belangrijk voor de werkgelegenheid in de regio. In de jaren vijftig werden zelfs bussen ingezet om werknemers uit de Betuwe en ook uit Elst te halen en weer terug te brengen. Was eind 19de eeuw de teelt in Amersfoort en andere regio's verdwenen, in de Betuwe, Amerongen, Elst en Rhenen werd nog een aanzienlijke hoeveelheid tabak verbouwd. Het definitieve einde werd ingeluid in 1960 door de schimmelziekte Blue Mould. Behalve in Elst. Het dorp ging de geschiedenisboeken in waar de tabak het langst werd geteeld!

Zwart Nazareth

Met Elst was nog iets bijzonders aan de hand. Elst werd ook wel Zwart Nazareth genoemd. Had het te maken dat men veelal in de tabak werkzaam was doordat de tabaksbladeren voor bruine smurrie zorgde, of was het geloof de boosdoener? Misschien was het wel slecht gesteld met de hygiëne van de arme bevolking van Elst? Inmiddels is duidelijk dat rivaliteit de boosdoener was. In Veenendaal was men er goed in om collega's uit omliggende plaatsen belachelijk te maken. Rhenenaren waren klokkenverkopers en werden Veenendalers door Rhenenaren op hun beurt voor blauwkousen uitgemaakt.
Elst werd 'Krom Elst' genoemd. Rhenen had die naam te danken doordat men in 1682 de grootste kerkklokken van de Cunerakerk had verkocht. Veenendaal kreeg die naam omdat de wol in de huisnijverheid blauw werd geverfd. In Elst zou men kromme benen hebben gehad. Daar bleef het niet bij. Het werd Zwart Nazareth. Dat zei men als een persoon uit een ´afgelegen oord of een onbeschaafde omgeving´ kwam en er niet veel van te verwachten was. Elst was zo'n afgelegen oord! En 'Zwart' werd weer geassocieerd met Franse afstammelingen met een donker uiterlijk.

Meer berichten